... en andere wijsheden van Carl Gustav Jung, die andere grootheid uit de psychoanalyse, wiens denken nog altijd relevant en actueel is.
Read moreOnze adem geneest
Een juiste ademhaling ontspant, bevrijdt en geneest. Het lijkt te mooi om waar te zijn, maar de wetenschap lijkt er voorzichtig mee in te stemmen. Wat is goed ademhalen en wat haalt het uit? En, is het moeilijk om te leren?
Read moreMet vragenlijst leer je mens niet kennen
De nadruk op cijfermatige kennis heeft in de sociale wetenschappen niet veel nuttigs opgeleverd.
Ik heb sociale psychologie gestudeerd. Daar heb ik weinig aan gehad, eerlijk gezegd. Toen ik afstudeerde, in 2011, bleek mijn diploma waardeloos. Het was crisis en niemand zat te wachten op een sociaal psycholoog. Diederik Stapel besmeurde mijn papiertje daarnaast ook nog eens met zijn gesjoemel; zijn fraude zette dikke vraagtekens bij de sociale psychologie als wetenschap, en daarmee bij mijn master.
Nu, vijf jaar later, blijkt dat tweederde van het sociaalpsychologisch onderzoek niet repliceerbaar is en sneuvelt de ene 'klassieke' bevinding na de andere. Met andere woorden: het hele vakgebied staat bol van de gebakken lucht.
Wat heb ik eigenlijk gestudeerd, vraag ik me nu af. Maar meer nog vraag ik me af waarom niemand het heeft over de vragenlijst - het drijfzand onder de bouwval die de sociale psychologie nu blijkt te zijn.
Als eerstejaars student maakte ik al snel kennis met de vragenlijst, hét instrument van de psychologie. In de eerste maand kreeg ik een eindeloze vracht enquêtes te verstouwen, bomvol vragen die ik moest beantwoorden door een cirkeltje om een cijfer zetten. Zo hielp ik de promovendi en onderzoekers aan hun data, en mocht ik op de universiteit blijven. Het was geen goed begin van het studiejaar, en het zou nog even duren.
Tijdens mijn studie heb ik me vaak afgevraagd of de vragenlijst nou echt de manier is om de mens beter te begrijpen. De sociale psychologie pretendeert menselijk gedrag te kunnen verklaren en voorspellen middels vragenlijstonderzoeken, maar theorieën met een grote verklarende en voorspellende waarde bleken schaars. Het wrong, zeker op de maandagochtenden waarop ik me wéér door een nieuwe cursus statistiek moest ploegen. Vragenlijsten leveren namelijk cijfertjes op, dus wie zich aan psychologie waagt, waagt zich aan heel veel wiskunde.
Gewoonte om statistiek te gebruiken
Binnen de sociale wetenschappen bestaat al decennialang de gewoonte statistiek te gebruiken, ook al leent de aard van de wetenschappelijke disciplines zich daar niet direct voor. 'Physics envy' wordt deze ontwikkeling wel schamper genoemd: de neiging van wetenschappers binnen de 'zachtere' wetenschappen, zoals psychologie en sociologie, zich te beroepen op de statistiek om zo wetenschappelijk en 'bèta' mogelijk te lijken. Cijfermatige gegevens zijn, zo is de redenering, betrouwbaarder en 'harder' dan kwalitatieve gegevens waarin geen cijfers voorkomen.
Daarbij: als we iets over mensen willen weten, kunnen we het ze gewoon vragen, is het idee. Het is gemakkelijker mensen een vragenlijst in te laten vullen dan ze te observeren, en proefpersonen zijn natuurlijk ook gewoon mensen met een gezond verstand, niet waar? En zo vullen dagelijks honderden studenten en andere slachtoffers vragenlijsten in, vaak aan de hand van de Likertschaal.
Via deze schaal kan een respondent aangeven in hoeverre hij of zij het eens is met een stelling, of de sterkte van een gemoedstoestand uitdrukken, vaak op een schaal van één tot vijf of zeven. Zo kan uiteindelijk berekend worden of een bepaald onderzoeksresultaat binnen een vooraf bepaalde kansmarge valt - of het toevallig is dat mensen zich in een onderzoek beter voelen na een glimlach, bijvoorbeeld, of dat het om een wetmatigheid gaat.
Het gebruik van vragenlijsten levert echter altijd een aantal problemen op. Het gevaar bestaat ten eerste dat mensen niet eerlijk zijn, omdat ze een sociaal wenselijk antwoord geven. Ook kan het zijn dat mensen de vraag verkeerd of zelfs helemaal niet begrijpen. Beide problemen zijn in bepaalde mate te ondervangen, maar niet te elimineren.
Het is hiernaast moeilijk te controleren of een 'vier' op de Likertschaal voor iedereen hetzelfde betekent. Met andere woorden: de afstanden tussen de cijfers binnen de Likertschaal hoeven niet voor iedereen hetzelfde te zijn - maar daar is moeilijk achter te komen.
Inschatten
Een nog groter probleem bij het gebruik van vragenlijsten is dat werkelijk gedrag moeilijk te vangen is in vragen op papier. Vaak wordt mensen gevraagd zich een hypothetische situatie voor te stellen, waarna een aantal vragen moet worden beantwoord. 'Hoe denkt u dat zou reageren wanneer uw partner u zou bedriegen', bijvoorbeeld. Hoe mensen écht reageren in een dergelijke situatie wordt niet gemeten, en het is daarbij de vraag hoe goed mensen dit zélf betrouwbaar in kunnen schatten.
Beide problemen leiden tot een groter probleem: ze tasten de betrouwbaarheid van de gegevens en dus het onderzoek aan.
Dan is er nog het verschil tussen theorie en praktijk. De context waarbinnen gedrag plaatsvindt, wordt binnen sociaalpsychologisch onderzoek doelbewust uitgesloten. Mensen worden vaak gemanipuleerd in psychologische vragenlijststudies en de onderzoekers zijn natuurlijk vooral geïnteresseerd in het effect van datgene wat ze hebben gemanipuleerd - bijvoorbeeld de temperatuur. De proefpersonen worden daarom in een laboratorium ondervraagd, zonder alle contextuele factoren die van invloed zouden kunnen zijn op datgene wat wordt gemeten - bijvoorbeeld agressie.
Het gevolg is dat veel sociaalpsychologische theorie moeilijk is te implementeren buiten de universiteitsdeuren. In het lab kan een hogere temperatuur wel leiden tot meer agressie, maar is dat buiten het lab, waar tal van andere factoren aanwezig zijn, ook waar? Niet per se.
Een voorbeeld: sociaalpsychologen concludeerden na bestudering van een hele batterij aan studies rondom de invloed van attitudes (meningen) op gedrag: het is afhankelijk van de context of die invloed bestaat. Als context van belang is, is contextvrije kennis het resultaat van verspilde moeite. En voor de implementatie van kennis is context altijd van belang. Daarbij is het nog maar de vraag of een herhaling van de onderzoeken hetzelfde resultaat geeft!
In het boek Making social science matter pleit sociaal-wetenschapper Bent Flyvbjerg voor een nieuwe werkwijze binnen de sociale wetenschappen. De sociale wetenschappen zouden hun eigen aard moeten accepteren en niet moeten proberen een bètawetenschap te zijn. Dat laatste is geprobeerd, en het heeft klaarblijkelijk niet veel nuttigs opgeleverd.
Het is daarom misschien goed eens na te denken over waarom de vragenlijst en de statistiek worden gebruikt door sociaalpsychologen. Begrijpen we mensen beter door ze een vragenlijst in te laten vullen? Meten we echt iets wezenlijks? Is de kennis betrouwbaar? Nu het antwoord op die vragen pijnlijk duidelijk wordt, is het misschien tijd om na te denken over een andere invulling van de wetenschap en het accent niet op cijfermatige data te leggen. Misschien snappen studenten dan ooit weer wat ze hebben geleerd, en wordt hun in het eerste jaar een hoop ellende bespaard.
(Dit stuk verscheen eerder in de Volkskrant op 19 september 2016)
Jongeren lijden onder verwachting van succes
Maar liefst 85 procent van de 72 duizend arbeidsongeschikte jongeren onder de 25 jaar zit thuis vanwege psychische problematiek maakte het Centraal Bureau voor de Statistiek onlangs bekend. Schokkende cijfers.
Dat de ‘generatie Y’ gevoelig lijkt te zijn voor stress was al duidelijk. Vorig jaar waren stressklachten de belangrijkste oorzaak van langdurig verzuim onder jongeren tot 25 jaar; binnen de categorie van 25 tot 34 jaar was het psychisch verzuim bijna de helft van het totale verzuim. Zelfs scholieren gaan gebukt onder stress: uit onderzoek van EenVandaag bleek vorig jaar dat 60 procent van de jongeren wekelijks één of meerdere keren stress hebben over school- of studie.
Volgens psycholoog Jan Derksen bezwijkt deze generatie onder druk, omdat ze onvoldoende draagkracht heeft ontwikkeld. De opvoeding speelt daarin een grote rol - ouders zouden veel te lief en te gemakkelijk zijn. Gepamperde kinderen groeien op als kwetsbare jongvolwassenen die bij het minste of geringste al verkrampen. Het resultaat is volgens hem dat uiteindelijk een steeds groter wordende groep jongeren zich uitgeteld veilig verschuilt in een arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Eeuwenoud liedje
Het afwijzen van de opvoeding en de mentaliteit van een jongere generatie is een stuiptrekking die steevast opduikt bij het verschijnen van dit soort cijfers. Derkens reactie is typisch voor een eeuwenoud liedje: de jeugd ontspoort, is zwak, neemt haar verantwoordelijkheid niet, de ouders moeten beter hun best doen en de gevolgen zullen groot zijn.
Maar Derksen gaat voorbij aan twee dingen. Zijn collega Paul Verhaeghe liet in zijn boek ‘Identiteit’ zien dat de invloed van de opvoeding ten opzichte van een aantal generaties eerder beperkt is: vooral sociale media zorgt ervoor dat de grens tussen de binnen- en buitenwereld grotendeels verdwenen is. De buitenwereld speelt een steeds dominantere rol en heeft grote invloed op de vorming van een weerbare identiteit.
En die buitenwereld draagt al enige tijd een specifieke norm uit, die als volgt luid: succes is maakbaar en een persoonlijke verantwoordelijkheid. Falen ook, dus als je de berooid in de lappenmand belandt, is dat je eigen schuld. Dat is de 'droomwereld' waar jongeren nu in opgroeien.
In dat licht is het misschien ook niet zo vreemd dat de huidige jonge generatie narcistisch en competitief ingesteld is. De media en sociale media doen niks anders dan de heugelijke boodschap van maakbaar succes verkondigen.
Duizelingwekkend
Jan Derksen doet het voorkomen alsof jongeren die keuze zelf maken, maar hun gedrag en houding zijn natuurlijk ingegeven door de duizelingwekkende hoeveelheid informatie die ze elke dag te verteren krijgen.
Het accent op de eigen verantwoordelijkheid maakt de eis om hulp en medicatie ook iets begrijpelijker. Jongeren die niet mee kunnen komen zijn immers ziek, want ze slagen niet. Wat is er dan fijner om psycho-medisch label opgeplakt te krijgen dat laat zien dat het eigenlijk jouw schuld niet is?
Dat de gevolgen van de groei aan arbeidsongeschikten groot kunnen zijn, behoeft geen discussie. Dat opvoeding een cruciale rol speelt, is wel duidelijk, maar de wereld daarbuiten is steeds belangrijker geworden en die buitenwereld dicteert een ritme waarop steeds meer jongeren kennelijk niet kunnen marcheren. Het gaat hier dan ook niet om een mentaliteitskwestie, maar een maatschappelijke kwestie. Laten we die discussie dan ook op dat niveau voeren.
Dit artikel verscheen eerder in Trouw op 26 mei 2015
Ruim baan voor de hipster
Niet de stropdassen en krijtstrepen, maar de baarden, sneakers en tatoeages moeten de Westerse economie gaan redden. Dat zegt professor Doug Williams in zijn boek ‘ The Flat White Economy’, waarin hij de hipster op het schild hijst. De brij van start-ups, e-commerce, marketing, koffiebarretjes en nicheshops hebben de Britse economie na de crisis een flinke impuls gegeven en doet dat ook nog eens op een duurzame en inventieve manier. Moet echt alle heil van de creatieve klasse komen? En hoe zit dat in Nederland?
Volgens Ed Cumming van de Britse krant The Observer mogen we met z’n allen best wat aardiger zijn voor de hipster. Ze werken misschien op de zenuwen – de stijlbewuste, frappuchino-minnende, fixie-rijdende twintigers en dertigers met hun MacBooks – maar ze zouden wel eens de redding van de stedelijke economie kunnen zijn. Williams becijfert dat er de laatste twee jaar in London zo’n 32.000 bedrijfjes zijn gestart door deze creatieve klasse. De ondernemingen hebben vaak iets te maken hebben met het internet. Om de e-commerce en marketinginitiatieven heen wemelt het van de hippe koffiezaakjes en nichewinkeltjes, die het zonder uitzonderingen goed doen en de buurten aantrekkelijk maken voor jonge mensen. In 2012 was de ‘flat white economy’, zoals hij de sector noemt, goed voor 7,6 procent van het Bruto Nationaal Product; hij voorspelt dat het in 2025 zo’n 16 procent zal zijn, waarmee de sector de grootste wordt in het Verenigd Koninkrijk.
De mores van het hippe volkje is daarnaast ook nog eens prijzenswaardig volgens Williams. Ze dragen tweedehands kleding, denken na over hun voedselconsumptie, hebben duurzaamheid hoog in het vaandel staan en reizen vaak per fiets. Deze waarden staan nogal in contrast met die van de financiële wereld, waar het kortetermijndenken en de graaicultuur nog steeds heersen. De financiële sector heeft daarbij afgedaan als heilbrenger voor de economie na de crisis, waarmee we hebben volgens hem des te meer reden om de creatieven ruim baan te geven.
Van industrieel naar cultureel
Het was ooit de industrie die zorgde voor werkgelegenheid in de steden, maar in de jaren 80 verdween de industrie naar Azië en kwam (onder andere) de financiële dienstverlening, de juridische dienstverlening, de consultancy en de vastgoed-gerelateerde bedrijvigheid daarvoor in de plaats. Dat gebeurde niet in elke stad. De ‘geavanceerde producentendiensten’ clusterden zich vooral in steden die qua infrastructuur al een voorsprong hadden op de andere steden. Amsterdam is hiervan een voorbeeld, die als global city een spil in het mondiale economische verkeer is en steevast binnen de top tien van de belangrijkste wereldsteden staat als het gaat om economische roulatie.
De overgang van de postindustriële steden naar een op diensten gefundeerde economie was niet alleen nieuws voor hoger opgeleiden. De sociologe Saskia Sassen liet zien dat de geavanceerde producentendiensten logischerwijs veel hoogopgeleid personeel aantrekken (juristen, bankiers, accountants) maar ook veel laagopgeleid personeel, die het werk van de hoogopgeleiden faciliteren. Het gaat hierbij om schoonmakers, beveiligers, cateraars, enzovoort.
Toen kwam de bankencrisis in 2008. De werkgelegenheid die de financiële sector met zich meebracht verdween voor een aanzienlijk deel. Nu, zeven jaar later, is het maar de vraag of deze ooit terugkomt. Door automatisering en bezuinigingen lijkt een structureel herstel naar de arbeidsvraag ver weg, zo niet irreëel. Dat is ook voor de laagopgeleiden slecht nieuws. Zij kunnen niet meer meeliften op de vraag naar hoogopgeleid personeel. De werkloosheid onder laagopgeleiden binnen steden als Amsterdam is nu vergelijkbaar met postindustriële steden die altijd al kampten met een hoge werkloosheid onder laagopgeleiden, zo blijkt uit onderzoek van de Nederlandse socioloog Jeroen van der Waal.
Van der Waal onderzocht of een groter aandeel creatieven de werkgelegenheid in de steden heeft kunnen opvangen zoals dat in London gebeurde. Dat valt nogal tegen, is zijn conclusie: het aandeel creatieven heeft geen zichtbaar effect op de werkloosheid in de Nederlandse steden. Wel is het zo dat Europese steden met een rijk cultureel aanbod en een hoog aandeel creatieven het na de crisis over het algemeen economisch een stuk beter doen dan steden waar geen cultureel klimaat heerst.
Het tijdschrift Cities wijdde onlangs een themanummer aan dit onderwerp: Creative Cities after the Fall of Finance. Stedelijk beleid zou in moeten zetten op het creëren van een positief cultureel klimaat om de creatieve klasse aan te trekken, zo luidt het advies. Van der Waal concludeert voorzichtig dat het de moeite van het proberen waard is. Geloofwaardige alternatieven zijn er niet echt, en er zijn enkele voorbeelden die laten zien dat de creatieve klasse inderdaad economische voorspoed kan brengen, zoals de Spaanse stad Bilbao. De postindustriële stad heeft haar industriële erfenis om weten te buigen naar een aantrekkelijk cultureel klimaat, waar veel creatieven zich graag aan verbinden.
Ons eigen Silicon Valley
In Nederland is het met name Amsterdam waar de creatieve sector floreert. Ook hier springen start-ups als paddenstoelen uit de grond. De politiek stimuleert deze ontwikkeling maar al te graag: minister Henk Kamp (Economische Zaken) wil Amsterdam dé broedplaats van start-ups maken en het oude Marineterrein op het eiland Kattenburg is dan ook aangewezen als ‘start-updelta’. Hier komt ons eigen Sillicon Valley, vanaf waar Hollandse pioniers de wereldmarkt mogen bestormen met hun revolutionaire ideeën.
Er is vorig jaar zo’n 500 miljoen in Nederlandse startups gestoken door investeerders, dus het lijkt er op alsof de creatieve sector ook hier een glansrol kan spelen. Het is alleen de vraag voor wie de economische groei uiteindelijk geld: heeft de hele samenleving baat van de creatieve sector, of is het maar een kleine groep? En zijn de ideeën van de creatieven nou echt zo revolutionair?
Nog meer koffiezaakjes
Er zijn een aantal kanttekeningen te maken. Een stad als Amsterdam is al jaren een aantrekkelijke stad voor hippe hogeropgeleiden, dat is niet in elke stad het geval. Steden die zich nog niet helemaal hebben ontdaan van hun industriële karakter, zoals Tilburg, zijn niet erg interessant voor creatieven. Het is moeilijk voor te stellen dat elk stedelijk gebied succesvol in kan zetten op een bloei van de creatieve sector.
De opkomst van een creatieve klasse heeft daarnaast niet alleen maar voordelen. In Amsterdam leidt de concentratie van de creatieven en jonge hogeropgeleiden binnen de ring en Amsterdam-Noord tot sterke gentrificatie (lees hier een stuk over dit onderwerp in Het Parool). Socioloog Jan Rath concludeert dat een sociale mix van Amsterdammers ver te zoeken is: elk leegstaand hoekpand binnen een oude volksbuurt wordt vliegensvlug omgetoverd in een koffiebar. Hippe en goedverdienende jongeren trekken er vervolgens naartoe waardoor steeds meer buurten onbetaalbaar worden voor mensen met lagere inkomens. Deze ‘verhipstering’ is een teken van economische voorspoed, maar kent ook buitenstaanders. ‘Het is een ontwikkeling waar de mensen die niet hip, cool en hoogopgeleid zijn niet of nauwelijks van profiteren’, aldus Rath in Het Parool.
Hij ziet nog een ander, ironisch gevaar: de hipsters zijn wegbereiders voor mensen met het grote geld. De panden in oude volksbuurten zullen zoveel waard worden dat ze steeds minder toegankelijk worden, ook voor de mensen die de buurt hip hebben gemaakt. Uiteindelijk zal de stad alleen nog maar worden bewoond door succesvolle, rijke mensen en wordt de rest weggedreven.
Daarnaast kun je je afvragen wat nieuwe creatieve klasse werkelijk toegevoegd. Williams ziet de waarden van de creatieve klasse als bonafide, maar veel internetbedrijfjes doen weinig anders dan het vergroten en vergemakkelijken van consumentisme, zoals Rutger Bregman van De Correspondent onlangs in een column betoogde.
Welbeschouwd lijkt het enthousiasme van Williams daarmee iets te overdreven. Dat de ‘flat white economy’ een gunstige ontwikkeling is, zal iedereen met hem eens zijn. Dat de mensen in deze sector een welkom alternatief bieden op de financiële sector ook. Maar lang niet iedereen past in deze sector, en de eventuele groei van deze klasse zal zich niet verbreden tot de gehele samenleving. Sommige mensen houden gewoon van zwarte filterkoffie zonder fratsen, op het eind van de rit.
Alles is markt
Alles is markt, zelfs een terreuraanslag. Na de aanslagen vorige week in Parijs was het gevleugelde ‘je suis Charlie’, naast een uiting van collectieve verontwaardiging, binnen no-time een handelsmerk. Niet alleen verschenen er T-shirts op Ebay, er staan intussen ook mokken, badges, potloden, mutsen, truien, prenten en sleutelhangers te koop op de veilingsite. Hoe plotseling collectivisme is verworden tot een commerciële kans.
Bedenk het maar eens: een Franse journalist plakt uit verslagenheid een aantal witte en grijze letters op een zwarte achtergrond – ‘je suis Charlie’ – en stuurt die nietsvermoedend via Twitter de wereld in. Een aantal dagen later blijkt de leus van iedereen te zijn, en zijn er alleen in Frankrijk al 50 mensen die de slogan als merknaam willen registreren. Het zou een hersenspinsel kunnen zijn van de Franse schrijver Michel Houllebecq, een idee waar je alleen maar om zou kunnen lachen.
Inmiddels moet de bedenker van de slogan, de Parijzenaar Joachim Roncin, constateren dat ‘je suis Charlie’ al een merk ís. De slogan laat zich moeilijk registreren als eigendom, maar de slimme ondernemer heeft zijn waar al online uitgestald. Op Ebay staan er momenteel zo’n 6000 ‘Charlie’ artikelen online. Het eerste nummer van Charlie Hebdo na de aanslagen ook, overigens: die staan te koop voor bedragen tussen de 70 en 100 dollar.
Het kan bijna geen toeval zijn. Een dag na de aanslagen lanceerde McDonalds in Amerika een campagne, waarin wordt verwezen naar nationale rampen als 9/11 en de aanslagen op Boston. Kritiek is er alom, maar de campagne wordt vooralsnog niet teruggetrokken.
Zelfs de naweeën van een terreuraanslag zijn commercieel gezien interessant. Hoe heeft het zover kunnen komen?
Het wij-tijdperk
Na het begin van de bankencrisis in 2008 stond ons nieuw tijdperk te wachten volgens trendwatchers: het zou gebeurd zijn met het individualisme. Zo voorspelde Lideweij Edelkoort dat ons een maatschappij van communes en collectieven staat te wachten, waarbinnen sociale banden weer centraal komen te staan.
Haar ijkpunt voor deze ontwikkeling was het jaar 2050, maar het bedrijfsleven had genoeg gehoord. De crisis noopte tot knusheid, samenzijn en collectieve initiatieven, zo kregen reclamemakers te horen. Volgens de resultaten van een onderzoek van mediagroep Sanoma is er maar één ding wat tegenwoordig het best werkt in reclames: WIJ-emoties. Ga van ‘ik’ naar ‘wij’ is het devies, en het geld zal uw kant oprollen.
“Wij-heid” is nog elke dag te zien. Een goed voorbeeld is de Rabobank, die zich al een aantal jaren opwerpt als de belangeloze goeddoener die mensen verbindt. ‘Een aandeel in elkaar’, zegt een jonge stem vol vertrouwen, of: ‘Samen sterker. Rabobank’. Een ander voorbeeld is verzekeringsmaatschappij InShared (‘we all benefit’), die het collectieve belang van alle verzekerden onderstreept. Zelfs sausfabrikanten mikken op ‘wij-heid’. In deze reclame is te zien hoe een stel buren heerlijk ongedwongen samenkomt en hun brood tevreden dopen in een bak satésaus.
De gemene deler
Is die wij-heid louter een marketingframe of er is er toch meer aan de hand? Misschien wel - de collectieve rouw na de MH17-ramp liet bijvoorbeeld zien dat een behoefte aan saamhorigheid wel degelijk bestaat. Na de samenklontering tijdens het WK leek het bijna alsof het Nederlandse volk de kans om wéér een oranje eenheid te vormen niet aan zich voorbij wilde laten gaan. Ook na de aanslagen van vorige week stroomden de stadspleinen weer vol, ook buiten Parijs – ‘wij’ willen laten zien dat ‘we’ ons niet bang laten maken door ‘hen’.
Nu is het niet ongebruikelijk dat er na een aanslag mensen en masse samenkomen, sterker nog, het is eerder regel dan uitzondering. Het vormen van een eenheid en het accentueren van de eigen normen en waarden is een ritueel dat na elke aanslag of (inter)nationale ramp volgt.
Maar, dat de gemene deler als gevolg van een terreuraanslag commercieel wordt geëxploiteerd is nieuw. Het ‘wij’ kent geen buitenstaanders – het doet denken aan de gele armbandjes van Armstrong tegen kanker - en het is als commerciële partij interessant die gemene deler aan je te verbinden. Zouden er mensen bestaan die pro-kanker zijn, of pro-terreur?
Welke stap volgt na ‘terreurmerchandise’ is moeilijk te voorspellen. Misschien dat de Derde Wereldoorlog een leuke print op kan leveren?