Onze rechterhersenhelft: een vergeten schatkamer

Onze linker- en rechterhersenhelft zijn geen concurrenten maar partners, blijkt al jaren uit wetenschappelijk onderzoek. Toch is er een groot verschil tussen de beide hemisferen, weet de neuroanatomist Jill Bolte Taylor – een hersenbloeding zette haar hele linkerhersenhelft op non-actief. Het leverde haar een gedwongen kennismaking op met de wonderen die in onze rechterhersenhelft verscholen zitten.

Read More

Alles wat onbewust blijft, wreekt zich...

... en andere wijsheden van Carl Gustav Jung, die andere grootheid uit de psychoanalyse, wiens denken nog altijd relevant en actueel is.

(Dit artikel verscheen in The Optimist (NL) van september/oktober)

Carl-Jung-in-his-study-room.jpg

              Wenen, 1909.  Sigmund Freud loopt door zijn bibliotheek met één van zijn leerlingen; eveneens een psychiater. Ze praten over parapsychologie - Freud vindt het maar onzin. Grote onzin zelfs; hij gaat luidruchtig tekeer tegen de onwetenschappelijke nonsens waarmee sommige van zijn collega’s zich inlaten.

Zijn leerling hoort het met geklemde kaken aan. Hij denkt er zelf anders over. Compleet anders, eigenlijk. Hij bewondert Freud, maar is er vast van overtuigd dat er in de magische wereld van het onverklaarbare veel waardevols schuilt.

En, dan, plotseling: een knal uit de boekenkast.

‘Ziet u’, zegt de leerling. ‘Dat is een voorbeeld van een zogenaamd katalytisch exteriorasatieverschijnsel.’ Een parapsychologische gebeurtenis, kortom.

'Ach kom nou’, roept Freud uit. ‘Dat is klinkklare onzin’.

‘Niet waar’, antwoordt de leerling verbeten. ‘U vergist zich, Herr Professor. En om dit te bewijzen voorspel ik nu dat er zo direct nog een knal komt!’

En inderdaad: nog een explosie. Maar, de geschrokken Freud houdt voet bij stuk. Klopgeesten, vliegende voorwerpen, knallende boekenkasten: het is en blijft flauwekul. De leerling, Carl Gustav Jung, houdt zijn poot ook stijf. De eerste scheuren in de relatie met zijn leermeester zijn een feit.

Ruim een eeuw later blikken kranten en bladen meewarig terug op de tijd van sofa’s en sigaren. De psychoanalyse is dit jaar in Nederland honderd geworden namelijk. Dus herinneren we ons de man die symbool staat voor die tijd, die er grotendeels verantwoordelijk was; wiens ideeën iedereen kent. Sigmund Freud.

Door hem weten we dat we stiekem verliefd zijn op onze moeders, of onze vaders. Via Freud kennen we het onbewuste – het deel van onze psyché dat we niet kennen, waar alle ervaringen die we eigenlijk niet hadden gewild liggen te smeulen, samen met de eigenschappen die we eigenlijk niet willen hebben. Door Freud kennen we de spanning tussen onze driften en onze cultuur, tussen het ‘id’ en het ‘superego’, en de problemen die daaruit voortvloeien. Niet dat die ideeën nog erg serieus worden genomen, maar iedereen kent ze na honderd jaar nog steeds.

Het idee dat ons onbewuste óók een schatkamer is, waar bijvoorbeeld onze creatieve vermogens liggen opgeborgen, is iets minder bekend. Dat we onze eigen onderdrukte, negatieve karaktereigenschappen steevast op andere mensen projecteren ook. Dat ons onbewuste ook een onpersoonlijke component heeft - een collectieve, gemeenschappelijke inhoud die voor alle mensen en alle culturen gelijk is - staat al lang niet meer in de introductieboeken voor psychologie. Dat het onbewuste in mannen vrouwelijk is, en in vrouwen mannelijk, ook niet. Deze ideeën van Carl Gustav Jung werden, net als vele van zijn andere ideeën, niet erg serieus genomen in zijn tijd. Honderd jaar later kennen we zijn naam nog steeds, maar valt zijn naam een stuk minder vaak dan die van zijn vroegere mentor.

Misschien komt het omdat Jung, geboren in 1875, een beetje raar werd gevonden. De Zwitserse domineeszoon bleef tijdens zijn carrière niet hangen in rokerige voorkamers van bevriende intellectuelen, maar vloog de oceanen over om met Papoea’s, Indianen en andere inboorlingen te praten. Over hun goden. Hij dook in papyrusrollen met voorchristelijke wijsheden, in vergeeld perkament vol alchemistische geheimen, verdiepte zich in Chinese geneeskunst, in astrologie, in telepathie, in sprookjes en occultisme. Jung dook in de peilloze diepte van zijn eigen onderbewuste, onderzocht als een bezetene zijn eigen dromen, deliriums en visioenen, en nam die van andere mensen minstens zo serieus.

Zo kreeg hij ideeën die bij sommige geleerde mensen op de lachspieren werkten. Dat er wel degelijk een God bestaat, bijvoorbeeld, die van ons verlangt dat we onszelf worden – iets wat Jung individuatie noemde. Dat toeval niet altijd toeval is – dat er best een verband kan zijn tussen de regenboog die aan de horizon verschijnt na een verhelderend inzicht over je eigen leven (synchroniciteit). Anderen, theologen bijvoorbeeld, werden kwaad van zijn boeken. Jung was dan wel christen, maar geen enkel Godsbeeld was hem heilig. Carl Gustav Jung ging zijn eigen weg, en bleef dat doen tot aan zijn dood in 1961.

Het zal die eigenzinnigheid zijn geweest die ervoor heeft gezorgd dat Jung zoveel baanbrekende ideeën en concepten heeft geïntroduceerd. Introversie en extraversie, bijvoorbeeld, het voornamelijk naar binnen of naar buiten gericht zijn, komen van hem.  Jung onderscheidde daarnaast als eerste zestien verschillende persoonlijkheidstypen; zijn pionierswerk speelt nog steeds een grote rol in de persoonlijkheidspsychologie (u kunt op www.16personalities.com een ontzettend interessante persoonlijkheidstest vinden gebaseerd op Jungs psychologische typen). Jung introduceerde de complexen: emoties en gedachten die rond één thema cirkelen en onevenredig veel aandacht opeisen, bijvoorbeeld, een minderwaardigheidscomplex, of een moedercomplex.

***

Jungs meest revolutionaire ideeën gingen echter veel verder dan mentale storingen of persoonlijkheidskenmerken. Ze gingen over de bewustzijnsontwikkeling van de menselijke soort in het algemeen, dwars door alle culturen, volkeren en zelfs tijdperken heen. Zijn vondst van het collectieve onbewuste was een absolute mijlpaal in de korte geschiedenis van de psychologie. En dat zijn Jungs ideeën nog steeds.

Jung was ervan overtuigd dat het onbewuste meer is dan een soort mentale afvalhoop, waar we, zoals Freud stelde, onze persoonlijke driften en nare herinneringen opslaan. We zijn ons weliswaar van veel persoonlijke dingen niet bewust, maar daarnaast ook van heel veel zaken die onpersoonlijk zijn, stelde Jung – zoals geestelijke kenmerken en bewustzijnsinhouden die iedereen heeft, en die we danken aan miljoenen jaren evolutie.

Door de biologische evolutie van ons lichaam en onze hersenen zijn we gepredisponeerd tot bepaald gedrag, was Jungs hypothese. Anders gezegd: onze geest heeft via de evolutionaire ontwikkeling van onze hersenen kenmerken geërfd die in zekere mate bepalen waar we op reageren en wat voor ervaringen we zullen hebben. Het is geen toeval, bijvoorbeeld, dat we allemaal bang zijn voor slangen. Of, voor het donker, of voor het onbekende. Die angst staat diep in onze hersenschors geschreven, omdat het ons heeft geholpen in de ontwikkeling van onze soort. Zo zijn we als mensen - via ons onbewuste - niet alleen verbonden met onze persoonlijke geschiedenis, maar met de geschiedenis van de hele mensheid. Jung noemde dit gemeenschappelijk deel van ons onderbewuste het collectief onbewuste. De ‘evolutionaire psychologie’ zoals we die nu kennen, bestond toen nog niet. Jung smeedde de theorie op basis van zijn eigen inzichten en bronnenmateriaal, waar de psychologen van nu zich baseren[Office1]  op ‘harde’ data uit experimenten en hersenonderzoek – en Jung al lang zijn vergeten.

Jung stelde dat er bovenop die laag van angsten, driften en instincten nog iets anders ligt: een enorme verzameling van vormen, symbolen en abstracte structuren die eveneens net zo oud zijn als de mensheid zelf, en die iedereen kent. Die iedereen toepast, en gebruikt. Jung noemde deze basisvormen de archetypen.

Als u naar de film gaat, zult u een representatie van de werkelijkheid voorgeschoteld krijgen, gespeeld door acteurs die bepaalde karakters neerzetten. Deze karakters zijn vaak goed óf slecht, schuldig of onschuldig, slim of dom, een held, of juist naïef. Het onderscheid tussen de karakters en hun kenmerken accepteert u meteen, zonder dat u zich daar bewust van bent. De karakters corresponderen namelijk met de archetypen – het archetype van de Held, bijvoorbeeld. Helden zijn er in veel verschillende soorten en maten, in kostuums of juist zonder, in oude boeken, of in stripverhalen, van films en series tot sprookjes en eeuwenoude theaterstukken. Op een hoger, abstracter niveau is de basisvorm van de held altijd hetzelfde. Die vorm is het archetype.

Iedereen kent de archetypen, want ze zijn overal, zelfs – of zeker, zou Jung zeggen – in dromen. Daar spreekt namelijk het onbewuste tot ons, en kunnen we de Oude Wijze man tegenkomen – ook een archetype. Of, de Maagd. Of, het Kind. Of, de Grote Moeder. Oeroude vormen die al eeuwenlang in ons onderbewustzijn wonen.

 De archetypen zijn belangrijk, zegt Jung, omdat deze vormen ons bewustzijn kleuren en daarmee ook weer ons gedrag. In wie bijvoorbeeld moeder wordt, zal onbewust het archetype ‘Moeder’ geactiveerd worden; de ‘psychische software’ die zorgt voor de passende identificatie met de moederrol en zo het passende gedrag – je zou dit het ‘moederinstinct’ kunnen noemen.

Maar, de archetypen hebben nog veel meer macht. Zonder dat we het weten plakken we archetypische ideeën over andere mensen heen; iets wat Jung projectie noemde. In de liefde is dit het duidelijkst te zien: op een roze wolk maken we vaak vliegensvlug en onbewust allerlei aannames over een ander persoon, om ergens daarna teleurgesteld te worden door de werkelijkheid. Volgens Jung gebeurt dit omdat we onmiddellijk een ideaalbeeld over iemand heen plakken op het moment dat ze voor ons interessant lijken. Al die ideaalbeelden samen vormen weer een archetype – die van de Verlosser.

Projectie is volgens Jung overigens niet iets wat we vrijwillig doen. Sterker nog, we doen het helemaal niet. Het gebeurt vanzelf. En dat is lang niet altijd een probleem, want zo hoeven we niet bij alles en iedereen uitvoerig na te denken. Ons onbewuste doet dat voor ons, en de prijs die we daarvoor betalen is simpelweg dat we iets vaker voor de gek worden gehouden dan we zelf doorhebben. Dat onze eigen waarheid niet helemaal klopt.

Als therapeut ontdekte Jung dat er wel meer niet klopte aan ons mensen. Dat er een gat bestaat tussen onze bewuste gedachten, emoties en herinneringen – ons ego - en dat wat we aan de buitenkant laten zien. Het laatste noemde Jung de persona – weer een archetype. Omdat we sociale wezens zijn, die niks liever willen dan geaccepteerd worden, wurmen we onszelf in allerlei bochten zodat de buitenwereld het idee krijgt dat we deugen. Zelf weten we natuurlijk wel dat het niet allemaal goud is wat er blinkt. We denken lang niet altijd dingen die het daglicht kunnen verdragen en voldoen zelf lang niet altijd aan de maatschappelijke normen, maar daar kunnen we – als het goed is – mee leven, en we kunnen het verdoezelen. Jung achtte dit gegeven redelijk gezond; niemand kan zonder ontwikkeld persona meebewegen in de maatschappij.

Maar, hij wist ook dat er in ieder mens een deel zat dat hij of zij zelf niet eens onder ogen durft te komen. Deze schaduw bevat alle kenmerken die we van onszelf afwijzen en onderdrukken – agressie, of seksueel afwijkende wensen, bijvoorbeeld. Door haar te onderdrukken is de schaduw niet weg, wist Jung. Ze is simpelweg naar het onbewuste verbannen, en het onbewuste projecteert die kant van onszelf automatisch weer naar de buitenwereld toe, vaak op mensen van hetzelfde geslacht.

Zo komt het dat we alleen andere mannen of vrouwen zien als jaloerse heethoofden zonder enige realiteitszin, en onszelf niet. Zo kan het we dat ons blijven verbazen over het kwaad en het onrecht in de wereld, zonder door te hebben dat het ook in ons zelf schuilt. Zo kon de Eerste Wereldoorlog plaatsvinden, zei Jung destijds. Want, in onze cultuur onderdrukken we massaal onze schaduw en hebben we een vijand nodig die hem voor ons kan dragen. Jung zei dat massaslachtingen en gevaarlijke doctrines zullen blijven bestaan, totdat de mens doorheeft dat hij de terrorist, de nazi, de Sovjet en de masochistische schurk zelf is. Ieder mens zou moeten accepteren dat hij een mens is, en in staat is om alles te doen waartoe mensen in staat zijn, hoe beestachtig dat ook kan zijn.

 Er is een grote ‘maar’, gelukkig. Onze schaduw bevat niet alleen onze verwerpelijke driften en ons onverteerbaar donker. Wie zijn of haar schaduw in de zelfbeleving integreert wordt spontaner, creatiever, gevoeliger en intuïtiever, zegt Jung, en zal andere mensen minder snel veroordelen. Daarbij hebben we al onze emoties gewoon nodig, en hoort woede ook bij. Zonder onze woede worden we gemakkelijk een speelbal van de schaduw van andere mensen of worden we een speelbal van gevaarlijke machten. Onze kracht en assertiviteit bevinden zich óók op de plek waar we liever niet komen. Onze schaduw kan, samen met ons onbewuste, onze metgezel worden.

Alles wat onbewust blijft, wreekt zich namelijk, zegt Jung. Dus, kunnen we maar beter de hand in eigen boezem steken, en kijken naar de rotte plekken in onszelf. Want, in het donker zit het licht verstopt. En, aldus Jung: ‘het enige doel van het menselijk bestaan is licht te brengen in de duisternis van het fenomeen leven’.

Met vragenlijst leer je mens niet kennen

De nadruk op cijfermatige kennis heeft in de sociale wetenschappen niet veel nuttigs opgeleverd.

Ik heb sociale psychologie gestudeerd. Daar heb ik weinig aan gehad, eerlijk gezegd. Toen ik afstudeerde, in 2011, bleek mijn diploma waardeloos. Het was crisis en niemand zat te wachten op een sociaal psycholoog. Diederik Stapel besmeurde mijn papiertje daarnaast ook nog eens met zijn gesjoemel; zijn fraude zette dikke vraagtekens bij de sociale psychologie als wetenschap, en daarmee bij mijn master.

Nu, vijf jaar later, blijkt dat tweederde van het sociaalpsychologisch onderzoek niet repliceerbaar is en sneuvelt de ene 'klassieke' bevinding na de andere. Met andere woorden: het hele vakgebied staat bol van de gebakken lucht.

Wat heb ik eigenlijk gestudeerd, vraag ik me nu af. Maar meer nog vraag ik me af waarom niemand het heeft over de vragenlijst - het drijfzand onder de bouwval die de sociale psychologie nu blijkt te zijn.

Als eerstejaars student maakte ik al snel kennis met de vragenlijst, hét instrument van de psychologie. In de eerste maand kreeg ik een eindeloze vracht enquêtes te verstouwen, bomvol vragen die ik moest beantwoorden door een cirkeltje om een cijfer zetten. Zo hielp ik de promovendi en onderzoekers aan hun data, en mocht ik op de universiteit blijven. Het was geen goed begin van het studiejaar, en het zou nog even duren.

Tijdens mijn studie heb ik me vaak afgevraagd of de vragenlijst nou echt de manier is om de mens beter te begrijpen. De sociale psychologie pretendeert menselijk gedrag te kunnen verklaren en voorspellen middels vragenlijstonderzoeken, maar theorieën met een grote verklarende en voorspellende waarde bleken schaars. Het wrong, zeker op de maandagochtenden waarop ik me wéér door een nieuwe cursus statistiek moest ploegen. Vragenlijsten leveren namelijk cijfertjes op, dus wie zich aan psychologie waagt, waagt zich aan heel veel wiskunde.

Gewoonte om statistiek te gebruiken

Binnen de sociale wetenschappen bestaat al decennialang de gewoonte statistiek te gebruiken, ook al leent de aard van de wetenschappelijke disciplines zich daar niet direct voor. 'Physics envy' wordt deze ontwikkeling wel schamper genoemd: de neiging van wetenschappers binnen de 'zachtere' wetenschappen, zoals psychologie en sociologie, zich te beroepen op de statistiek om zo wetenschappelijk en 'bèta' mogelijk te lijken. Cijfermatige gegevens zijn, zo is de redenering, betrouwbaarder en 'harder' dan kwalitatieve gegevens waarin geen cijfers voorkomen.

Daarbij: als we iets over mensen willen weten, kunnen we het ze gewoon vragen, is het idee. Het is gemakkelijker mensen een vragenlijst in te laten vullen dan ze te observeren, en proefpersonen zijn natuurlijk ook gewoon mensen met een gezond verstand, niet waar? En zo vullen dagelijks honderden studenten en andere slachtoffers vragenlijsten in, vaak aan de hand van de Likertschaal.

Via deze schaal kan een respondent aangeven in hoeverre hij of zij het eens is met een stelling, of de sterkte van een gemoedstoestand uitdrukken, vaak op een schaal van één tot vijf of zeven. Zo kan uiteindelijk berekend worden of een bepaald onderzoeksresultaat binnen een vooraf bepaalde kansmarge valt - of het toevallig is dat mensen zich in een onderzoek beter voelen na een glimlach, bijvoorbeeld, of dat het om een wetmatigheid gaat.

Het gebruik van vragenlijsten levert echter altijd een aantal problemen op. Het gevaar bestaat ten eerste dat mensen niet eerlijk zijn, omdat ze een sociaal wenselijk antwoord geven. Ook kan het zijn dat mensen de vraag verkeerd of zelfs helemaal niet begrijpen. Beide problemen zijn in bepaalde mate te ondervangen, maar niet te elimineren.

Het is hiernaast moeilijk te controleren of een 'vier' op de Likertschaal voor iedereen hetzelfde betekent. Met andere woorden: de afstanden tussen de cijfers binnen de Likertschaal hoeven niet voor iedereen hetzelfde te zijn - maar daar is moeilijk achter te komen.

Inschatten

Een nog groter probleem bij het gebruik van vragenlijsten is dat werkelijk gedrag moeilijk te vangen is in vragen op papier. Vaak wordt mensen gevraagd zich een hypothetische situatie voor te stellen, waarna een aantal vragen moet worden beantwoord. 'Hoe denkt u dat zou reageren wanneer uw partner u zou bedriegen', bijvoorbeeld. Hoe mensen écht reageren in een dergelijke situatie wordt niet gemeten, en het is daarbij de vraag hoe goed mensen dit zélf betrouwbaar in kunnen schatten.

Beide problemen leiden tot een groter probleem: ze tasten de betrouwbaarheid van de gegevens en dus het onderzoek aan.

Dan is er nog het verschil tussen theorie en praktijk. De context waarbinnen gedrag plaatsvindt, wordt binnen sociaalpsychologisch onderzoek doelbewust uitgesloten. Mensen worden vaak gemanipuleerd in psychologische vragenlijststudies en de onderzoekers zijn natuurlijk vooral geïnteresseerd in het effect van datgene wat ze hebben gemanipuleerd - bijvoorbeeld de temperatuur. De proefpersonen worden daarom in een laboratorium ondervraagd, zonder alle contextuele factoren die van invloed zouden kunnen zijn op datgene wat wordt gemeten - bijvoorbeeld agressie.

Het gevolg is dat veel sociaalpsychologische theorie moeilijk is te implementeren buiten de universiteitsdeuren. In het lab kan een hogere temperatuur wel leiden tot meer agressie, maar is dat buiten het lab, waar tal van andere factoren aanwezig zijn, ook waar? Niet per se.

Een voorbeeld: sociaalpsychologen concludeerden na bestudering van een hele batterij aan studies rondom de invloed van attitudes (meningen) op gedrag: het is afhankelijk van de context of die invloed bestaat. Als context van belang is, is contextvrije kennis het resultaat van verspilde moeite. En voor de implementatie van kennis is context altijd van belang. Daarbij is het nog maar de vraag of een herhaling van de onderzoeken hetzelfde resultaat geeft!

In het boek Making social science matter pleit sociaal-wetenschapper Bent Flyvbjerg voor een nieuwe werkwijze binnen de sociale wetenschappen. De sociale wetenschappen zouden hun eigen aard moeten accepteren en niet moeten proberen een bètawetenschap te zijn. Dat laatste is geprobeerd, en het heeft klaarblijkelijk niet veel nuttigs opgeleverd.

Het is daarom misschien goed eens na te denken over waarom de vragenlijst en de statistiek worden gebruikt door sociaalpsychologen. Begrijpen we mensen beter door ze een vragenlijst in te laten vullen? Meten we echt iets wezenlijks? Is de kennis betrouwbaar? Nu het antwoord op die vragen pijnlijk duidelijk wordt, is het misschien tijd om na te denken over een andere invulling van de wetenschap en het accent niet op cijfermatige data te leggen. Misschien snappen studenten dan ooit weer wat ze hebben geleerd, en wordt hun in het eerste jaar een hoop ellende bespaard.

(Dit stuk verscheen eerder in de Volkskrant op 19 september 2016)

Jongeren lijden onder verwachting van succes

Maar liefst 85 procent van de 72 duizend arbeidsongeschikte jongeren onder de 25 jaar zit thuis vanwege psychische problematiek maakte het Centraal Bureau voor de Statistiek onlangs bekend. Schokkende cijfers.

Dat de ‘generatie Y’ gevoelig lijkt te zijn voor stress was al duidelijk. Vorig jaar waren stressklachten de belangrijkste oorzaak van langdurig verzuim onder jongeren tot 25 jaar; binnen de categorie van 25 tot 34 jaar was het psychisch verzuim bijna de helft van het totale verzuim. Zelfs scholieren gaan gebukt onder stress: uit onderzoek van EenVandaag bleek vorig jaar dat 60 procent van de jongeren wekelijks één of meerdere keren stress hebben over school- of studie.

Volgens psycholoog Jan Derksen bezwijkt deze generatie onder druk, omdat ze onvoldoende draagkracht heeft ontwikkeld. De opvoeding speelt daarin een grote rol - ouders zouden veel te lief en te gemakkelijk zijn. Gepamperde kinderen groeien op als kwetsbare jongvolwassenen die bij het minste of geringste al verkrampen. Het resultaat is volgens hem dat uiteindelijk een steeds groter wordende groep jongeren zich uitgeteld veilig verschuilt in een arbeidsongeschiktheidsuitkering.

Eeuwenoud liedje

Het afwijzen van de opvoeding en de mentaliteit van een jongere generatie is een stuiptrekking die steevast opduikt bij het verschijnen van dit soort cijfers. Derkens reactie is typisch voor een eeuwenoud liedje: de jeugd ontspoort, is zwak, neemt haar verantwoordelijkheid niet, de ouders moeten beter hun best doen en de gevolgen zullen groot zijn.

Maar Derksen gaat voorbij aan twee dingen. Zijn collega Paul Verhaeghe liet in zijn boek ‘Identiteit’ zien dat de invloed van de opvoeding ten opzichte van een aantal generaties eerder beperkt is: vooral sociale media zorgt ervoor dat de grens tussen de binnen- en buitenwereld grotendeels verdwenen is. De buitenwereld speelt een steeds dominantere rol en heeft grote invloed op de vorming van een weerbare identiteit.

En die buitenwereld draagt al enige tijd een specifieke norm uit, die als volgt luid: succes is maakbaar en een persoonlijke verantwoordelijkheid. Falen ook, dus als je de berooid in de lappenmand belandt, is dat je eigen schuld. Dat is de 'droomwereld' waar jongeren nu in opgroeien.

In dat licht is het misschien ook niet zo vreemd dat de huidige jonge generatie narcistisch en competitief ingesteld is. De media en sociale media doen niks anders dan de heugelijke boodschap van maakbaar succes verkondigen.

Duizelingwekkend

Jan Derksen doet het voorkomen alsof jongeren die keuze zelf maken, maar hun gedrag en houding zijn natuurlijk ingegeven door de duizelingwekkende hoeveelheid informatie die ze elke dag te verteren krijgen.

Het accent op de eigen verantwoordelijkheid maakt de eis om hulp en medicatie ook iets begrijpelijker. Jongeren die niet mee kunnen komen zijn immers ziek, want ze slagen niet. Wat is er dan fijner om psycho-medisch label opgeplakt te krijgen dat laat zien dat het eigenlijk jouw schuld niet is?

Dat de gevolgen van de groei aan arbeidsongeschikten groot kunnen zijn, behoeft geen discussie. Dat opvoeding een cruciale rol speelt, is wel duidelijk, maar de wereld daarbuiten is steeds belangrijker geworden en die buitenwereld dicteert een ritme waarop steeds meer jongeren kennelijk niet kunnen marcheren. Het gaat hier dan ook niet om een mentaliteitskwestie, maar een maatschappelijke kwestie. Laten we die discussie dan ook op dat niveau voeren.

 

Dit artikel verscheen eerder in Trouw op 26 mei 2015